Vloerverwarming
Hoe werkt het systeem, en welke methode past bij uw situatie?
Verdeler en warmtebronnen
De basis van elke vloerverwarmingsinstallatie is een verdeler, onderverdeeld in een aantal groepen. Per groep voert een leiding warm water aan en loopt in een kring terug naar de verdeler.
De verwarmingsbron maakt géén onderdeel uit van de installatie. Verwarmingsbronnen kunnen zijn: CV-ketel, stadsverwarming, warmtepomp of een hybride combinatie. Deze zijn onder te verdelen in Lage Temperatuur (30–50 °C) en Hoge Temperatuur (50–90 °C). De vloerverwarming zelf opereert altijd tussen de 28 en 35 °C — ondanks deze lage temperaturen levert het systeem voldoende verwarmingscapaciteit doordat het optimaal gebruik maakt van het vloeroppervlak.
De video toont een Hoge Temperatuur-verwarmingsbron. Omdat vloerverwarming op lage temperatuur werkt, wordt de aanvoer van een HT-bron vermengd met het retourwater uit de groepen. Dit gebeurt via de pomp aan de verdeler, waardoor er twee circuits ontstaan: de primaire leiding van de bron naar de verdeler, en de vloerverwarmingsgroepen. Beide circuleren onafhankelijk.
Het aantal groepen wordt bepaald door: oppervlakte, hoofd- of bijverwarming, isolatiewaarde, buisdiameter, wel of geen vloerverwarmingspomp, of eventuele zoneregeling.
Verwerkingsmethodes en patronen
De wijze van verwerken verschilt per project en is te onderscheiden in natbouw en droogbouw.
Bij natbouw wordt een dekvloer van zandcement of anhydriet gestort over de vloerverwarmingsleidingen. Is er al een dekvloer aanwezig van minimaal 30 mm? Dan kan er in gefreest worden. Is er nog geen dekvloer? Dan worden de leidingen gebonden aan staalmatten. Waar de draagvloer niet van onderen te isoleren is, bieden tacker- of noppenplaten een oplossing — deze worden bovenop de draagvloer geïnstalleerd. Na installatie wordt de dekvloer door een derde partij gestort.
Droogbouw is de oplossing voor constructies met beperkte draagkracht of opbouwhoogte. De vloer wordt opgebouwd uit gipsvezelplaten van bijvoorbeeld Fermacell of Knauf Brio — geen water nodig. Na het schroeven en verlijmen wordt er gefreesd voor de leidingen.
De afstand tussen de leidingen bepaalt de verwarmingscapaciteit. Standaard liggen ze 10 cm uit elkaar. Bij koudebruggen zoals schuifpuien komen de leidingen dichter bij elkaar — zogenaamde randzones. In ruimtes met minder warmtebehoefte, zoals de hal of wc, liggen ze juist verder uit elkaar. Heeft een ruimte al een andere verwarming? Dan spreekt men van bijverwarming.
De leidingen worden bij voorkeur in een slakkenhuispatroon gelegd. Dit geeft de meest gelijkmatige warmteverdeling. Een meanderpatroon zou juist koude vlakken creëren waar de retourleiding loopt.